Zomerkriebels – een blog door Esther Boek

Zomerkriebels

Nu de zon vaker dan wind en regen onze metgezel is, ontwaak ik langzaam maar zeker uit mijn winterslaap.
Daar waar mensen om me heen de voorbode van hoge temperaturen met argusogen tegemoet zien, kan ik alleen maar vol vreugde kijken naar de tabellen van de weerman waar het dertigtal wordt aangetikt.

Als kind al was ik gek op de zon. In mijn beleving waren er alleen maar lange dagen van buitenspelen in de immense tuin van mij ouderlijk huis. Ik speelde dat ik Ivanhoe was en, ondanks dat ik een paard op stal had staan, een denkbeeldig ros tussen mijn benen. Dan huppelde ik, de onzichtbare lans in de aanslag, over het uitgestrekte grasveld. De perzikboom, de takken hangend van de overdaad aan vruchten zwaarmoedig op de grond, was de onbekende vijand die ik steevast versloeg.

Wanneer ik alle vijanden verslagen achter me had gelaten liet ik mijn paard en lans vallen en toog naar de paardenstallen naast ons huis, waar de paarden van vlees en bloed me met zacht gehinnik welkom heetten. Dan liep ik naar de stal waar mijn edele viervoeter stond, pakte zadel en hoofdstel en niet veel later zat ik hoog op mijn glanzende roodbruine vos in de rijbak. De zojuist nog verslagen perzikboom werd nu mijn publiek dat me juichend en klappend naar de overwinning op de Olympische Spelen dreef.

Als de temperaturen te hoog opliepen ging ik naar de showroom naast ons huis, waar vele splinternieuwe caravans stonden te wachten op verre bestemmingen met hun nog onbekende eigenaar, en liep de gammele ladder naar de zolder op. Dan ging ik plat op mijn buik liggen, kroop naar de rand en loerde naar de klanten die in de campingwinkel liepen of door de showroom hun meest gewilde sleurhut uitzochten.
De oudere man met zijn vrouw, die nauwelijks ouder was dan zijn verveeld naast hem lopende dochter, ging vast en zeker naar een zonnig oord waar dat pubermeisje zich beter vermaakte dan in de showroom van mijn ouders en zouden de handen van zijn vriendin, die nu nog krampachtig een handtas vasthielden, de zonnebrandolie over het te bruine en te zware lijf van de man verdelen.

Het echtpaar, de stevige wandelschoenen onder de bruine katoenen broek, had vast een bestemming voor ogen waar het oersaai maar wel mooi groen was.
Wanneer ik het fantaseren over de mensen onder me zat was, of wanneer mijn ouders me naar beneden riepen omdat ik door hen was opgemerkt, liet ik me langs de wankele ladder naar beneden zakken en ging via de grote deuren van de showroom, over het met grind bedekte terrein dat tussen het bedrijf en de weg lag, langs de tweedehands caravans die buiten gebroederlijk naast elkaar stonden, de achterdeur van de voormalige boerderij in waar nu mijn opa en oma woonden. Opa was vaak in het achterhuis bezig, waar hij de fietsen van de mensen in ons dorp repareerde en mijn oma stond in de keuken, het gebloemde schort voor, of zat op de bank te breien of te lezen.

De ene keer ging ik bij mijn oma zitten, die dropjes in water deed, me zo het lekkerste drankje denkbaar gaf en, terwijl ik dit opdronk, ze lijm voor me maakte met bloem en water en waarmee we even later papieren aan elkaar plakten tot kunstwerken, het Rijksmuseum waardig. De andere keer ging ik naar mijn opa in het achterhuis en, als hij even niet keek, sloop ik naar de ladder die me naar de zolder op de boerderij bracht. Van mijn grootvader mocht ik daar niet komen, veel te bang dat ik door het houten plafond zou zakken, maar voor mij was het een geweldige speelplek waar ik via sluipdoor, kruipdoor, middels de vaste trap weer bij mijn oma in de keuken kwam.

En dan, als ik hoorde dat mijn vader naar de grote poort aan de weg liep omdat de sluitingstijd inmiddels verstreken was, vloog ik naar buiten, stopte beide voeten tussen de spijlen van het hek terwijl mijn vingers zich om de ijzeren bovenrand kauwden, zwierde samen met de grote poort een stukje over de straat en verloor bijna mijn evenwicht waneer het metalen ding in het slot tot stilstand kwam.

Zomerkriebels. Zo onbezorgd als in mijn kinderjaren zullen ze nooit meer zijn. Ivanhoe heeft zijn plaats af moeten staan aan boeken die mee de tuin in gaan.
De Olympische Spelen zal ik nooit winnen maar stiekem droom ik nog steeds van hoge doelen, al zijn deze nu gerelateerd aan een succesvol auteur zijn.
Het bedrijf van mijn ouders bestaat niet meer en de fantasieën rondom de klanten diep onder me, gebruik ik nu voor de personages in mijn verhalen.

Mijn opa en oma leven allang niet meer en hebben nooit geweten van mijn leven als schrijver. Maar het vangnet dat ze boden naast het drukke bedrijfsleven van mijn ouders, draag ik tot in lengte der dagen met me mee. Ook mijn vader leeft niet meer en ook hij heeft mijn debuut niet meer meegemaakt. Maar zijn handen, die me op de poort lieten zwieren, zitten nog steeds stevig in mijn rug terwijl zijn ogen over me waken zodat ik niet val.

1 thought on “Zomerkriebels – een blog door Esther Boek”

  1. Teddy van Rijswijck

    Tja, de goede oude tijd. Heerlijk om terug te kijken naar waar onze basis is gelegd.
    In mijn geval ook heerlijk om deze herinnering te kunnen visualiseren.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *